Al het verdriet dat hij kennelijk zo goed opgeborgen had, dat hij zich had ingebeeld dat het niet meer bestond, kwam terug met een kracht en een woede alsof het verband met een ruwe, kwaadaardige ruk van een wond werd afgescheurd. (…)

Later, zei ze, later, en alsof het een toverwoord was voelde hij hoe zijn lichaam verslapte, hoe de verloren tijd naar hem terugstroomde, hoe de waanzin van hun geschiedenis die tegelijkertijd ondanks die waanzin toch verklaarbaar was geweest hem opnieuw begon in te wikkelen.

Hij was de enige man die ooit door een engel omarmd was, hij voelde weer hoe die vleugels, die ze nu niet meer had, zich om hem heen hadden gesloten, en (…) gaf hij zich zo over aan zijn herinnering dat het leek of hij naar het verleden terugsloop om zich erin te verbergen.

 

Cees Noteboom
Paradijs Verloren

 





 

archive